Waarom de overheid niet ingrijpt in de woekerpolis-affaire

Het wordt wel het grootste financiële schandaal uit de naoorlogse geschiedenis genoemd. Miljoenen consumenten zijn gedupeerd van wie voor velen de schade op de lange termijn nauwelijks te overzien is. De overheid onderneemt wel eens actie om minder, zou je denken. Maar niet in de woekerpolisaffaire. Waarom niet?

Nou, onder meer hierom niet: DNB vindt de gevolgen van een radicale oplossing ‘onaanvaardbaar’ voor de sector.

Toen op een gegeven moment bij mij het besef begon te dagen dat ik met mijn eigen woekerpolis ook een onderdeeltje was van dit grote verhaal, ben ik mijn eigen zaak gaan onderzoeken. Hoe ver ik daarmee ben gekomen is hier te zien: de strijd om de woekerpolis

Voor wie geïnteresseerd is in de grote context van dit fenomeen, maakt dit veel duidelijk: ‘het toezichtsprookje’  (Kleine waarschuwing: het is wel een flink stukje lezen…)

Al met al had ik van een PvdA-minister van Financiën wel wat meer ambitie verwacht op dit dossier. Maar dat is misschien wat naïef gedacht…

Ruzie met Bono

csm_Still_Bono_813cebffc7

Het was echt wel een bijzonder moment voor me: een interview met mijn grote rock-held Bono. Het is mei 2002 en Bono is op reis in Afrika, samen met de Amerikaanse minister van financiën Paul O’Neill. Bono wil deze conservatief uit de regering van Bush jr. ervan overtuigen dat hulp echt helpt en dat de rijke landen de schulden van de armste landen eens moeten kwijtschelden.

In het Sheraton Hotel van de Ethiopische hoofdstad loop ik te ijsberen, hopend dat hij echt op zal dagen, zoals zijn medewerkster beloofd heeft. Na een uur of zo is hij er dan. Ik ben al geen reus, maar hij is nog een halve kop kleiner dan ik. Maar ik herinner me nog steeds zijn stevige handdruk. We kunnen Bono een kwartier spreken over schulden en hulp aan de armste landen. Dan staat het interview erop. So far so good…

Mijn reportage met Bono is HIER te zien.

De volgende dag reizen we nog een dagje mee met het reisgezelschap van ‘the odd couple’, rockster Bono en de grijze Amerikaanse minister. We bezoeken een textielfabriek in Addis Abeba, opgezet door een Amerikanen en Ethiopiërs samen. Een hal vol Ethiopische arbeiders maakt er t-shirts en andere kleding. De minister is erg enthousiast.

Als we later met Bono het hotel weer inlopen, vraag ik hem terloops of die textielfabriek nu zo’n duidelijk voorbeeld was van de noodzaak van ontwikkelingshulp. De kleine grote man draait zich naar me toe, zet zijn handen in z’n zij en bijt me toe: ‘What do you mean? This is what Africa needs!’

Daar was ik wel even ondersteboven van. Ging ik nou ruzie krijgen met mijn grote idool? Ik sputter tegen dat de Amerikaanse minister hier wel erg makkelijk z’n punt over de vrije markt, kapitalisme en dergelijke kon maken. Tot mijn opluchting kalmeert het bommetje meteen weer en begint uit te leggen dat zijn team dit met het gevolg van de minister had afgesproken. Bono zou hulp-projecten laten zien, maar O’Neill wilde ook de zegeningen van de markt op het programma.

Toch bleef zijn uitval me wel even bezig houden, moet ik toegeven. Maar als ik Bono op de dag van vertrek tegenkom in de drukke hotel-lobby neemt hij afscheid met een grote glimlach en een uitbundige high five. Mijn liefde voor U2 heeft de ontmoeting met Bono overleefd…